VU mag langstudeerder, niet de toegang tot het onderwijs ontzeggen

Op 23 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over een besluit van de Vrije Universiteit Amsterdam (hierna: VU) dat student niet meer zou worden ingedeeld bij het verplichte bachelor-onderwijs. De student was het daar niet mee eens, omdat hem daarmee eigenlijk de toegang tot het onderwijs werd ontzegt.

Aanleiding

Student is in 2003 gestart met de bacheloropleiding Tandheelkunde aan de VU. Student heeft gedurende zijn studie last van persoonlijke omstandigheden waardoor hij studievertraging heeft opgelopen. Als gevolg van de studievertraging zijn resultaten komen te vervallen en moet de student deze vakken opnieuw volgen. Tijdens de studie deelt de student zich daarom steeds opnieuw in bij de verschillende verplichte bachelor-vakken.

Op 18 september 2023 besluit de VU dat de student vanaf 1 september 2023 niet meer zal worden ingedeeld voor het verplichte bachelor-onderwijs, omdat de VU van mening is dat de student door zijn lange studieverloop een “disproportioneel beslag op de organisatie en de middelen van de opleiding” legt. Student is het niet met de beslissing eens, omdat het daarmee voor hem onmogelijk wordt om de opleiding af te ronden. De VU motiveert haar standpunt met een beroep op de OER: uit de bepalingen van de toepasselijke OER blijkt volgens de VU dat studenten na het eerste bachelorjaar nog maar eenmalig aan het onderwijs van praktische oefeningen kunnen deelnemen in plaats van éénmaal per studiejaar.

Toegang tot het onderwijs

In de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) zijn de rechten en verplichtingen van studenten op het HBO en WO vastgelegd. Een student die voldoet aan de toelatingseisen voor de opleiding moet door de onderwijsinstelling bij die opleiding worden ingeschreven. Daarbij is de hoofdregel dat een student die bij een opleiding is ingeschreven het recht heeft om deel te nemen aan het onderwijs en de daarbij behorende tentamens af te leggen. Deze deelname kan door de onderwijsinstelling alleen worden beperkt in de situaties die in de WHW genoemd staan.

Oordeel Afdeling

De Afdeling start haar overwegingen met de conclusie dat er geen wettelijke grondslag bestaat voor het besluit van de VU dat de student niet meer mag deelnemen aan het verplichte onderwijs. De Afdeling overweegt daarbij dat de student door dit besluit geen practica meer kan volgen waardoor hem feitelijk de toegang tot het onderwijs blijvend is ontzegd. Voor de student is het door dit besluit onmogelijk om het diploma te behalen. Verder overweegt de Afdeling dat het artikel uit de WHW dat de VU in het besluit als grondslag voor de beperking opnam, niet bedoeld is om studenten te weren die een bijzonder lange studieloopbaan hebben. Dit artikel is namelijk slechts bedoeld om studenten uit te schrijven die vanwege hun gedrag of uitlatingen ongeschikt zijn voor het beroep waarvoor de opleiding de studenten opleidt, omdat ze een bedreiging vormen voor anderen. De Afdeling concludeert dat zij begrip heeft voor de keuze van de VU omdat een studieloopbaan van 20 jaar bij dezelfde onderwijsinstelling onwenselijk is, maar concludeert dat de wet desondanks geen ruimte geeft om de toegang van deze student te beperken. Alleen de wetgever mag de wet veranderen, niet een onderwijsinstelling.

De uitspraak van de Afdeling kunt u hier lezen.

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *